Wie komt daar op ons af lopen, op de cover van Achtentwintig letters? Is het een man? Of toch een vrouw? En wat houdt die persoon daar in zijn/haar handen, een baby misschien? En waar zijn we? In een woestijn? Je zou het op basis van de kleding en de kaalheid van het landschap gaan denken. Maar dan is het er wel erg bewolkt. Hollands bewolkt, bijna. Toch is het, ondanks al die vaagheid, onmiskenbaar een emotioneel beeld. De persoon loopt met een gekromde rug en spant zich duidelijk in om iets te beschermen dat hij tegen zijn borst gedrukt houdt. Maar waartegen? Je komt niet verder dan raden.

Zelden een passender cover gezien dan deze, want ook binnen in de nieuwe roman van Rashid Novaire (1979) barst het van de meerduidigheid. Zo heeft Jibril van der Woude, de vertellende jongeman, een Nederlandse moeder en een Marokkaanse vader, voelt hij zich aangetrokken tot zowel mannen als vrouwen en is hij herstellende van een psychose – waardoor je er als lezer nooit helemaal zeker van bent of wat hij zegt voortkomt uit een zuivere waarneming of dat hij zich iets in zijn hoofd heeft gehaald.

Het zijn sowieso wankele tijden voor Jibril. Hij krijgt te horen dat hij niet meer hoeft terug te keren op zijn werk bij de reclassering, weet niet zeker of zijn relatie met Kenza wel voort zal blijven bestaan en dan is ook nog eens zijn vader, die lang in Nederland woonde maar nu weer in Marokko is, spoorloos verdwenen. Betrekkelijk lang twijfelt Jibril of hij naar Afrika moet afreizen om de man te zoeken. Er lijkt schuldgevoel mee te spelen in zijn beslissing om het uiteindelijk tóch te doen: Jibril gaf zijn vader destijds het benodigde geld voor een vliegticket.