Ergens in de onmetelijk rijke prozabundel Natte sneeuw van de Zweedse schrijver Stig Dagerman staat de volgende passage, in het verhaal ‘Memoires van een kind’: „Ik droomde en droomde dat ik een keer op het Centraal Station zou staan met een kaartje naar China in mijn zak dat ik tevoorschijn zou halen als de politie kwam. Maar ik had nooit een kaartje naar China. Ik ging door met schrijven en daarachter lag dezelfde gedachte.”

Dagerman (1923-1954) beschrijft hierin hoe hij eenzaam opgroeit op de boerderij van zijn grootouders – zijn gescheiden ouders lieten hem daar achter – en zich ontwikkelt tot schrijver: „Al heel vroeg begin je met schrijven. Als kind ben je altijd creatief. Later wordt het ons meestal afgeleerd.” En: „Zo bestaat de kunst om schrijver te worden er onder andere uit om je er niet door het leven of de mensen of geld van af te laten brengen.” Ook stelt Dagerman dat door het ‘verzinnen’ van de werkelijkheid die „warmer, aardiger en vermakelijker om naar te kijken” wordt, alleen moet je haar een beetje veranderen. Deze citaten geven op treffende wijze niet alleen het ontstaan van het schrijverschap weer, ook hoe je daarin moet volharden. Het kaartje naar China is verzonnen, de jongen heeft het nooit gehad, maar hij beeldt het zich in, hij werd schrijver „en daarachter lag dezelfde gedachte”. Schrijven als een niet-bestaand treinkaartje naar China.