De verpletterende eenzaamheid en wanhoop die Sven Roes – afgaande op zijn eigen verklaring – gevoeld moet hebben toen hij in het vliegtuig stapte, op weg naar… weg. Gewoon weg. Weg van zijn leven, weg van zijn schaatscarrière, weg van de mensen van wie hij dacht dat hij ze teleurstelde.

Hoe hij daar in zijn stoel moet hebben gezeten bij het opstijgen, Nederland werd kleiner en kleiner onder hem. Hoe meer ik me dat voorstel, hoe groter mijn behoefte van de daken te schreeuwen, naar hem, naar iedereen: het maakt niet uit wat je presteert. Dat is totaal onbelangrijk zelfs. Je mag er zijn, gewoon om wie je bent. Als broer, als zoon, als vriend.

Maar hoe kun je weten wie je bent als dat altijd heeft samengehangen met wat je presteert? Niemand kan er wat aan doen dat het vanzelf zo gaat als je opgroeit als topsporter in de dop: alles draait om je sport. Vanwege je talent, je waanzinnige intrinsieke motivatie, vanwege de mensen om je heen, de begeleiding, het applaus en de bewondering, en je ouders die alles voor je willen doen omdat je zo van je sport geniet. Iedereen bedoelt het goed als je geprezen wordt om wat je presteert. Maar wie je bent zonder die sport, dat leer je niet.

Ik weet niet wat Roes wilde gaan doen in het buitenland, ik weet zelfs niet of hij echt een plan had, maar ik moet denken aan ‘Het regent zonnestralen’ van Acda en De Munnik, dat nummer over Herman die ook zijn leven ontvlucht – om iemand anders te gaan zijn. Hield-ie vroeger al zijn meningen en al zijn dromen stil, nu is-ie niks niet niemand nergens meer, kan dus gaan waar hij maar wil. En daarom regent het nu zonnestralen.