Mijn vader was de enige man in huis. Hij keek in zijn eentje in zijn werkkamer voetbal, want mijn moeder wilde dat ‘helse groen’ niet zien. Alleen bij belangrijke wedstrijden tartte hij haar door zich het scherm in de woonkamer toe te eigenen. Dan mopperde ze over „het ordinaire gejoel” van de supporters dat golvend door het huis trok, „het koekedomme geklets” van voetbalcommentatoren en „de werkelijk ónbegrijpelijk lelijke kleur oranje”.
Ik schaarde me aan haar zijde en begreep dus lange tijd helemaal niets van voetballiefde. Het was daar, zo vond ik, dat de Nederlandse volksgeest, en nog eerder, de uiteindelijke aard van mannen zich openbaarde: 90 minuten lang lompe aanstellerij om een bal en 22 mannetjes.
Achteraf denk ik dat mijn vader helemaal niet zo van voetbal hield, maar in die uren genoot van de patriarchale macht van het zwijgend kijken, mijn moeders bezwaren teruggebracht tot krachteloos achtergrondgeruis.
Jaren later kreeg ik een voetbalminnend vriendje. Zijn ex, met wie hij mij bedroog, had bij haar vertrek, geweldig was dat, het scherm van zijn laptop helemaal volgeplakt met zijn voetbalplaatjes. Hijzelf nam me mee naar wedstrijden van PSV en Málaga CF. In onze eerste fase liet ik een voetbalshirt met zijn naam maken, en luisterde eindeloos lang naar zijn spreekbeurten over de ‘beginnersgeest’, ‘het heilige vuur’ en ‘positioneel bewustzijn’. Toen ik hem en zijn praatjes zat begon te worden, leerde ik de VI op de wc uit mijn hoofd om hem om de oren te kunnen slaan met voetbalfeitjes. „Jonathan Reis, oei oei, een zorgenkind!” riep ik dan vanaf de pot.






