Soms is er weinig voor nodig: „Het is heel zonnig, het zonlicht windt me op, de vitaliteit ervan. Als Ramses de woonkamer in komt, kan ik niet aan zijn gezicht aflezen of hij de buttplug draagt of niet.” In Wat mijn lichaam weet, de tweede roman van Rosa Willemijn Vlogman (1992), is Reva aan het woord over haar ontluikende relatie met Ramses. Vooral over het fysieke deel ervan: hoe hun vrijpartijen eruitzien, welke grenzen ze opzoeken en hoe ze zich voortdurend op- en ontladen in elkaars aanwezigheid. Tot er een fysieke grens opdoemt: Reva’s lichaam sluit zich, vaginale penetratie is plotseling onmogelijk.
De roman is opgebouwd uit bondige hoofdstukken, voorzien van datering, waardoor het de schijn heeft van een dagboek. De intieme fragmenten lenen zich daar inhoudelijk wel voor, maar tegelijkertijd zijn ze (te) gestileerd, gedetailleerd (hele dialogen) en bovendien wordt er verteld vanuit de derde persoon.
We leren niet veel over Reva en Ramses, Vlogman schrijft zuinig, maar wanneer haar blokkade opdoemt op een derde van de roman, komt er wat diepte in het verhaal. Bij een workshop waar vrouwen contact maken met hun baarmoeder, komt er een enorme pijn los. Er duikt een dood kindje op, in haar gedachten, in een droom en in een therapeutische sessie, wat de suggestie van intergenerationeel trauma wekt.







