„They were always hungry but they ate very well.” De geliefden uit The Garden of Eden (1986) hongeren de hele dag door: naar elkaars lichaam, naar het dagelijks ontbijt vol zoete broodjes, frambozen, gekookte eieren met smeltende boter, naar lunches met jamón serrano, ansjovis, knoflookolijven, aangevuld met flessen manzanilla of Dom Pérignon. De liefde tussen de jonge schrijver David Bourne en zijn jonge vrouw Catherine Hill is heftig, té heftig. In de eerste weken van hun huwelijksreis langs de Côte d’Azur en de noordkust van Spanje zijn ze onafscheidelijk, tussen de lakens lijken ze zelfs te versmelten.

Dat ligt vooral aan Catherine die, haar lichaam diep gebruind door de zon, al snel haar haren kort laat knippen. Ze wil zijn zoals David: even bruin, even mannelijk. Opgaand in deze symbiotische verhouding draait ze op een gegeven moment zelfs hun rollen om in bed. „Yes you are and you’re my girl Catherine”, fluistert ze tegen David. „Will you change and be my girl and let me take you?” De woorden zijn een voorbode voor wat gaat komen.

Het postuum uitgegeven en deels autobiografische The Garden of Eden, dat zich afspeelt in de jaren twintig en waar Hemingway van 1946 tot aan zijn dood in 1961 aan werkte, is een van zijn meest onconventionele romans. Niet alleen speelt de schrijver, die wereldberoemd werd met werken als The Old Man and the Sea, The Sun Also Rises en For Whom the Bell Tolls, in dit liefdesverhaal met genderexpressie en genderidentiteit, maar onderzoekt hij ook de polyamorie.