Luchino Visconti’s Death in Venice is een van de mooiste films die ik ken. En toch haalt hij het niet bij de novelle van Thomas Mann, die er de inspiratie voor was. Alsof liefde behalve beeld ook zinnen nodig heeft om waarachtig te zijn.
Ik besefte het nadat ik Der Tod in Venedig (1912) had herlezen. Voor het eerst drong tot me door dat hoofdpersoon Gustav von Aschenbach een losbandig alter ego van hemzelf is. Alsof Mann, die in een burgerlijk keurslijf zijn homoseksuele verlangens had bedwongen, zichzelf toestond om als romanpersonage verliefd te worden op een man. Eenmalig liet hij zich daarom gaan: „Want bij passie, net zoals bij misdaad, past niet de veilige orde en welvaart van het dagelijks leven, en elke verzwakking van het burgerlijke systeem, elke verwarring en kwelling van de wereld moet haar welkom zijn, omdat ze de vage hoop kan koesteren ervan te kunnen profiteren.”
In die zin lees je Manns gekwelde verlangen naar een ander leven, waarvan hij wist dat het zijn ondergang zou worden. Vandaar dat Aschenbachs verliefdheid je ziel doorboort, zo hartstochtelijk, geil en onmogelijk wordt ze beschreven.
Aschenbach is een alom bewonderde schrijver. Net als zijn schepper werkt hij in de ochtenduren gedisciplineerd aan zijn oeuvre. Hij is een slaaf van de kunst. Zijn hele leven is op roem ingesteld. Hij is een en al zelfbeheersing.Naarmate Aschenbach ouder wordt nemen zijn krachten af. Zijn proza verliest zijn originaliteit. Het is als met de wereld, die in het fin de siècle steeds meer in een decadent verval raakt en in 1914 zal ontploffen.Zijn plichtsbetrachting wordt verdrongen door eenzaamheid en onrust. Daarom ook doorbreekt hij zijn routine en vertrekt hij naar Venetië. De lucht is er zwaar, grijs en vochtig, en maakt iedereen loom.







