Schuldgevoel is een bijzonder soort medeleven. Het richt zich op de ander, maar het gaat evengoed over onszelf. Wie zich, bij het zien van ontredderde bootvluchtelingen op een strand, schuldig voelt over de manier waarop wij hen in Europa opvangen – onvoldoende, agressief of onverschillig – betrekt die emotie vaak ook op zichzelf; het heeft te maken met onze eigen welvaart, onze eigen passiviteit en onze eigen veiligheid. Literatuur is in staat zo’n ambigu gevoel haarfijn te ontleden, van alle kanten te bekijken en te belichten.

In Rubberboot, de korte, ijzingwekkende roman die vorig jaar op de shortlist van de International Booker Prize stond, neemt de Franse schrijver en filosoof Vincent Delecroix een tragedie als uitgangspunt. In november 2021 verdronken 27 vluchtelingen in het Kanaal, nadat mensenhandelaars hen in Calais op een opblaasboot hadden gezet. Die zonk. Zonder dat de Franse of de Engelse kustwacht hulp bood. Ze schoven de verantwoordelijkheid af; de Engelsen gingen over de Engelse wateren, de Fransen over de Franse. Aangezien het bootje nu eens aan de ene kant dobberde en dan weer aan de andere, kwam niemand in actie.

In zijn op ware dialogen gebaseerde roman geeft Delecroix eerst het woord aan de Franse kustwachtmedewerker die die nacht dienst had. Zij wordt ondervraagd door een gendarmeriecommandant: waarom heeft ze niets gedaan, terwijl ze achttien telefoontjes met een schreeuw om hulp ontving? De vrouw blijft rustig, legt uit wat haar taak is en waarom empathie daarbij wordt afgeraden. Teveel verbeelding helpt niet bij het beoordelen van dit soort situaties. Ze weerlegt de beschuldiging van nalatigheid; de boot bevond zich in Engelse wateren. Waren de opvarenden bovendien niet daar beland als gevolg van een heel lang proces, een voorgeschiedenis waar ze niet bij betrokken was? Waren ze niet uit eigen beweging van huis vertrokken? Waarom werd zij gezien als een schuldig monster terwijl ze alleen maar, precies volgens de regels, haar werk deed?