Wat moet je doen met woorden die je liever niet groter maakt?

Die vraag hield mij de afgelopen weken bezig. ‘Omvolking’, ‘remigratie’, ‘oorspronkelijke Nederlanders’. Woorden die lang vooral aan de randen van het debat klonken, kwamen ineens dichter bij het midden te liggen. In reacties op asielprotesten, op X, in Kamerdebatten, in de taal van politici en opiniemakers. Ik merkte bij mezelf aarzeling. Moet je zulke woorden bestrijden, of maak je ze dan juist gewoner?

Die aarzeling is niet vreemd. De Amerikaanse onderzoeker Whitney Phillips schreef over de „oxygen of amplification”: extremistische frames kunnen onbedoeld sterker worden door ze telkens te herhalen, ook kritisch. Dat bezwaar neem ik serieus. Herhaling doet iets met woorden, ook afkeurende herhaling. Maar terughoudendheid heeft een grens. Zodra woorden uit rechts-extremistische theorieën in de Kamer, in talkshows, op tijdlijnen en in opiniestukken terechtkomen, zijn ze geen losse provocatie meer. Ze gaan meebepalen waar mensen voortaan de oorzaak van hun onbehagen zoeken. Wat begon als een vraag over bestuur, draagkracht en samenleven, krijgt alsnog een etnische verklaring. Zwijgen houdt dan zulke woorden niet klein. Het geeft de betekenis ervan uit handen aan degenen die ze willen normaliseren.