Door de jaren heen zijn de beelden vertrouwd geworden: gammele rubberboten op de Middellandse Zee, overvolle opvangcentra op Lesbos of Lampedusa, geïmproviseerde tentenkampen aan Europese grenzen. Maar minstens zo bepalend voor het Europese migratiedebat zijn de minder zichtbare beelden: regeringen die hun eigen beleid niet meer lijken te beheersen, asielprocedures die jarenlang duren, en burgers die het vertrouwen verliezen dat staten nog kunnen bepalen wie binnenkomt en wie mag blijven.
Het is precies dát verlies van controle dat de Europese politiek de afgelopen tien jaar fundamenteel heeft veranderd. Niet alleen radicaal-rechtse partijen groeiden dankzij migratie; ook traditionele middenpartijen begonnen steeds harder te spreken over grenzen, terugkeer en afschrikking. Waar asiel ooit vooral een mensenrechtenkwestie was, werd het gaandeweg een crisis van bestuurlijke legitimiteit.
Toch is de tegenstelling die het debat tegenwoordig beheerst – óf open grenzen, óf het einde van het asielrecht – misleidend. Europa staat voor een andere, meer wezenlijkere vraag: hoe kan het de controle over de buitengrenzen herstellen zonder het morele en juridische fundament van het Vluchtelingenverdrag op te geven?









