Zijn magnum opus Het boek der herinneringen (1986), een vuistdikke labyrintische roman over het leven onder het communisme in Hongarije, werd vergeleken met het werk van Proust, Canetti, Musil en Tomasi de Lampedusa. Velen verwachtten dan ook dat hij er de Nobelprijs voor zou krijgen. Maar de schrijver Péter Nádas, die woensdag in zijn huis in Gombosszeg in Hongarije op 83-jarige leeftijd stierf, viste steeds achter het net. De prijs ging naar zijn landgenoten Imre Kertész (2002) en László Krasznahorkai (2025).

Péter Nádas werd in 1942 geboren in Boedapest in een geassimileerd Joods gezin. Ternauwernood overleefde hij de Slag om Boedapest aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Daarna werd het leven er niet beter op: toen hij dertien jaar oud was overleed zijn moeder en drie jaar later pleegde zijn vader, een hoge functionaris in de communistische partij, zelfmoord. Zelf belandde hij in een kindertehuis.

Geheime politie op bezoek

Na een afgebroken studie scheikunde werkte Nádas enige tijd als journalist en fotograaf; sporen van dat laatste zijn in zijn oeuvre alom aanwezig. In 1967 debuteerde hij met zijn eerste verhalenbundel. Tien jaar later brak hij wereldwijd door met de roman Einde van een familieroman. De publicatiegeschiedenis van dat boek alleen al is tekenend voor de moeite die goede schrijvers onder het communisme hadden met de censuur. Toen Nádas het manuscript van zijn roman bij de censuur had ingeleverd, weigerde die aanvankelijk om het goed te keuren. In de loop van de hierop volgende jaren kreeg hij de geheime politie op bezoek, die hem zei dat alles goed zou komen als hij hun informant werd. Nádas sloeg dit aanbod af. Zijn boek werd een paar jaar later, toen sprake was van een culturele dooi, alsnog gepubliceerd.