Hij had een paar regels van Kaváfis geciteerd gezien, schreef mijn vriend, en was er door getroffen. Deze regels: „Heimwee beving hem/ naar het reizen, naar ochtendlijke/ aankomsten in havens die je,/ met welk een blijdschap, voor het eerst binnenvaart”. Alsof hij het ook zo voelde. Maar, schreef hij, dat is wel vreemd, want ik heb dat verlangen eigenlijk niet, ik ben eerder een huismus.
Ik vroeg me na zijn briefje ook af hoe dat kon, dat poëzie je het gevoel geeft dat je iets helemaal begrijpt, maar voor ik het wist schoot ik al met volle vaart het verlangen in – oh die havens in de vroege morgen, de ochtendkoelte, het geluid van de golven tegen de boeg als de scheepsmotor nog maar zeer zacht draait, het vermoeden dat er een wereld ligt daar op dat eiland die je zou kunnen en willen kennen, maar je gaat verder en juist daarom, enfin, ik leefde me in alsof ik inderdaad niet kon wachten om op reis te gaan.
Maar ik ben eigenlijk ook nogal graag thuis. De ‘hij’ in het gedicht is Odysseus, van wie sommige dichters veronderstellen dat hij na zijn thuiskomst geen rust vond. Hoezeer hij ook gesmacht heeft naar het thuis zijn – tien jaar heeft zijn terugreis geduurd – nu hij er is, wil hij weer reizen.






