Er stak een koude wind op, de hemel werd grijsgroen. Twee houtduiven fladderden dicht tegen de boomstam aan, een vlinder vouwde zich in de schors, een kruisspin drentelde bezorgd over haar web. Ik wilde het schuifraam al dichtdoen, maar een plotselinge, vochtige windvlaag bracht een geur, de geur van regen – en ik bedacht me. Ik moest verslag doen van dit fenomeen, dat duizend keer zeldzamer leek dan een eclips. Ik schoot in mijn regenjas en ging naar het bos.

Buiten was het parfum nog sterker, het mossige van rot en bloei. Wetenschappers, in de tijd toen die nog dichters waren, hadden die geur ooit petrichor genoemd: het godenbloed der stenen. Zo rook het precies, ja. De hoop van een nieuw schooljaar met nieuwe agenda’s en versgekafte schoolboeken. Met net iets meer melancholie dan normaal, iets wrangs van natte hond en herfstrot.

De eerste regendruppel valt altijd precies in je nek. Ik zette de capuchon op. De regen sloeg maankratertjes in het zandpad, klopte nog meer geuren los. Een kruidige muntgeur steeg op uit het gras, de bramenkoepels roken naar winegums en rabarber. Het leek alsof alle parfums extra sterk werden verneveld. Ik snoof aan de esdoorn, die ik niet eerder geroken had: iets kazigs, en iets van jonge sprinkhaan.