In mijn beleving heb ik het nooit zo warm gehad als dezer dagen in Nederland. Toch ben ik in genoeg landen geweest waar de temperaturen nog hoger kunnen oplopen. Kennelijk hebben wij een Hollands soort hitte, gekenmerkt door luchtlagen met een zekere logheid en bewegingloosheid, die je in een verstikkende deken wikkelt.

Het is een hitte die extra prikkelbaar maakt bij de kleine en grote tegenslagen van het leven. Omdat er nog geen tropenrooster voor columnisten bestaat – idee voor FNV-voorman Hans Spekman? – moest ik thuis in de heersende hitte een column voltooien. Mijn concentratie werd steeds verstoord door het geschreeuw van werklieden, die namens de KPN langs de gevel van ons appartementengebouw een glasvezelkabel aanlegden. Ik benijdde hen niet, misschien was het nog een beter idee voor Spekman om zulk zwaar werk in dit weer te verbieden.

Ze waren al klaar met hun karwei toen ik ’s middags wegging. Op de grond lag wat los zand, maar wat vooral mijn aandacht opeiste was een grote witte ijzeren kast – bijna twee meter hoog, een meter breed – die tegen de gevel was geplaatst. Dat monster zou ons als bewoners de rest van ons leven op deze plek gezelschap blijven houden, hoorde ik later.