In 1908, hij is dan 45 jaar, schrijft K.P. Kaváfis, ambtenaar bij de dienst irrigatiewerken in Alexandrië, in een aantekening voor eigen gebruik: „Om in het leven succesvol te zijn en respect af te dwingen is ernst nodig, dat weet ik. Toch valt het me moeilijk ernstig te zijn, van ernst heb ik geen hoge dunk.” Natuurlijk, gaat hij verder, houdt hij wel van ernst, voor een half of een heel uur „of twee of drie uur, ernst per dag. Vaak natuurlijk ook wel van een hele dag ernst.” Ja wat is het nu. Dit klinkt niet al te ernstig zo. „Voor het overige houd ik van grappen, humor, geestig-ironische gesprekken, humbugging. Maar dat hoort niet.”

Grappig. Het is niet helemaal het beeld dat we hebben van de man die toen in het verborgene gedichten schreef en die nu de beroemdste Griekse dichter is. Zijn poëzie is vaak best ernstig, al is het ‘geestig-ironische’ daaraan niet vreemd. Maar grappen en ‘humbugging’, nee.

Het is een van de vele verrassende aantekeningen uit een stuk genaamd ‘Filosofische toetsing’, dat opgenomen is in Kaváfis. Verborgen dichterschap, een bundel met prozabeschouwingen, aantekeningen, brieffragmenten, lijstjes en artikelen van Kaváfis, vertaald door Hero Hokwerda (1949), die zich onuitputtelijk voor de Griekse literatuur in het Nederlands inzet. Daarnaast vertaalde Hokwerda alle door Kaváfis zelf geaccepteerde gedichten in een apart deel: Kaváfis. Als straks de schimmen komen.