Hoe langer ik erover nadenk, hoe vreemder ik het vind. Ik hield als kind van dichten en tekenen, kliederde versjes in talloze boekjes, maar bezat nooit een eigen album.

„Was ook niet nodig”, zei mijn moeder toen ik haar er afgelopen week naar vroeg. „Jij had je slaapkamer.”

Oeps, ja. Ik liet vriendjes en vriendinnetjes gedichtjes en tekeningetjes krabbelen op het behang, waardoor ik elke nacht in een levensgroot poesiealbum sliep. Toen mijn slaapkamer rond mijn twaalfde een make-over kreeg, verdwenen de bijdragen onder een laag verf.

Gelukkig heeft mijn moeder haar eigen album nog, en ontroerd blader ik door het bijna zeventig jaar oude boekje. Een kleine bloemlezing : „…Een hartje van goud/ zorg lieve Mieke/ dat je dit behoudt!”, of „doe als kind je kleine plichten,/ wees geduldig, lief en goed” en als knaller: „Lieve Mieke, ieder mens dat word [sic] geboren,/ krijgt van zijn goede fee,/een helder brandend lampje van zijn geweten mee.” In de kantlijn kortere, luchtiger versjes: „Tip tap top Mieke/ zit in het kippenhok” en „Je ziet wel aan mijn pen/ dat ik geen notaris ben” .

De meeste versjes draaien om goedbedoeld advies dat het kind op het hart drukt om vooral lief, braaf plus gewetensvol te zijn. Je kan het opvatten als morele aansporingen, maar dan doe je zo’n boekje ook tekort. Het album heeft ook een sociale functie. Door iemand om een bijdrage te vragen, kan je vriendschappen smeden en bestendigen. En uit onderzoek van historisch letterkundige Sophie Reinders blijkt bovendien dat dat geen recente ontwikkeling is.