Wat een goed idee van Edward van de Vendel om in zijn rol als uitgever van Blauw Gras de mooiste liedteksten uit Het Klokhuis van Jurrian van Dongen te bundelen. En eigenlijk best gek dat niemand dit eerder heeft gedaan: Van Dongen is al dertig jaar hofleverancier van het ludieke, informatieve jeugdprogramma en bovendien een van Nederlands beste tekstdichters. Niet toevallig won hij meermaals de Annie M.G. Schmidt-prijs voor beste theaterlied en de Willem Wilminkprijs voor beste kinderlied.

Wie Het Klokhuis kent, weet dat zo’n beetje alles wat er in een kinderleven kan gebeuren, erin voorbijkomt. Evengoed valt de grote variatie van onderwerpen in de 22 liedteksten in Want ik besta direct op. Een kleindochter die het leven van haar dementerende opa voor hem wil onthouden, het besef van een kind dat ieder leven eindig is, een lofzang op de broccoli, hoe opgroeien in armoede voelt: Van Dongen slaagt erin ‘de ruimte van het volledig leven’ te verbeelden, om met Lucebert te spreken. En dat doet hij met een groot gevoel voor empathie voor zijn publiek, in heldere, trefzekere zinnen die getuigen van passie voor taal en licht van toon zijn.

Meisje van Srebrenica

Treffend bijvoorbeeld is de manier waarop hij in ‘Doe gewoon normaal’ de emotionele spagaat die een scheiding teweeg brengt, weet terug te brengen tot de kern: „Ben ik mooi klaar mee/ Dat twee mensen/ Die elkaar het meeste haten/ Net die twee zijn van wie ik het meeste hou.” Een even ogenschijnlijk gemak van schrijven toont hij in het o zo pijnlijke ‘Meisje van Srebrenica’. Door de ogen van een opgroeiend meisje lees je in vier coupletten – „Ik was een kind […]. Ik was pas tien […] Ik was pas twaalf” – over de gruwel van de Bosnische burgeroorlog en de uiteindelijk fatale dag die de massamoord op ruim 8.300 moslimmannen inluidde. Nota bene: zonder dat dit ook maar ergens letterlijk wordt benoemd: „Eén ding zal ik m’n leven niet vergeten:/ Dat ik in een andere bus mijn vader zag/ Je kan bang zijn, maar zo bang…/ Dat wil je niet weten.” En dan moet de definitieve mokerslag nog komen: „Ik was een kind/ Maar dat was over/ Na die dag.”