Hij heeft – bij dezen – gelijk gekregen. In 1990 schreef hoogleraar Nederlandse letterkunde Ton Anbeek in literair tijdschrift Dietsche Warande en Belfort: „Veel mensen willen in stilte begraven worden – van mij zal men afscheid nemen met straatrumoer. Want gesteld dat er op dat moment een paar regels in de krant aan mijn verscheiden zullen worden gewijd, ongetwijfeld komt men dan weer aanzetten met dat vermaledijde straatrumoer. Het is om hoorndol van te worden!” Anbeek overleed op 6 april op 81-jarige leeftijd.

Dat ‘vermaledijde straatrumoer’ kwam uit het artikel ‘Aanval en afstandelijkheid’ dat Anbeek een kleine tien jaar eerder had gepubliceerd in De Gids. Hij maakte daarin een vergelijking tussen romans van drie op de buitenwereld gerichte Amerikaanse schrijvers (John Irving, Joseph Heller, Kurt Vonnegut) en twee vooral met de binnenwereld van hun personages begane Nederlandse auteurs (Maarten ’t Hart, Oek de Jong), oordeelde in het voordeel van de Amerikanen en besloot: „Misschien zou een beetje meer straatrumoer de Nederlandse roman geen kwaad doen.” Ondanks dat „misschien”, het „beetje” en het bescheiden „geen kwaad” sloeg Anbeeks verhaal in het literair academische wereldje in als een bom, al hing een en ander waarschijnlijk ook samen met het besluit van De Gids om direct liefst negentien (!) mensen te vragen om op Anbeeks beweringen te reageren.