In de tram was ik waanzinnig in het moment aan het zijn. Dat begon zodra ik mijn telefoon in het voorvakje van mijn nieuwe rugzak had gepropt – een moeizame exercitie, want het vakje is vrij krap. Als je telefoon er eenmaal in zit, wil je hem er niet weer uit hoeven halen. Het was dus een beetje noodgedwongen dat ik in het moment aan het zijn was, maar ik overtuigde mezelf er heel gauw van dat ik dit sowieso al van plan was geweest.

Toen ik telefoonloos om me heen keek in de tram, gebeurde wat er altijd gebeurt als ik telefoonloos in de tram zit: ik had ontzettend te doen met al die mensen die mét telefoon in de tram zaten. Al die arme, schermverslaafde mensen – zo úít het moment. Mijn vingers kraakten nog na van al het typen en swipen, ik had net hartjes uitgedeeld aan een Instagramverhaal of acht en toch leek dat allemaal alweer een mensenleven geleden.

Dat waren dingen die ik deed toen ik nog het type mens was dat met haar telefoon in de tram zat – dat mens kénde ik niet meer. Nu was ik het presente type mens.

Het betere type mens.

Door het raam trok het centrum van Amsterdam aan ons voorbij, we snelden nu in de richting van Uithoorn. Ergens op die route stapte een jonge vrouw met een babywagen de tram in. Vanuit de wagen klonk een indringend gejammer. Ze zette het ding op de daarvoor bestemde plek en tilde er een kreukelige baby uit.