In oktober vorig jaar ben ik gestopt met op mijn telefoon kijken. Ik las en keek ongeveer twee tot drie uur op een dag. Nu spendeer ik nog maximaal dertig minuten voor het acute, het hoognodige: navigeren, muziek en bellen.
Meer dan een decennium aan ergernis ging eraan vooraf. Na het verlaten van sociale media, het afzetten van afleidende meldingen, bleef ik de telefoon excessief gebruiken. In bed, op straat, bij het stoplicht. Steeds draaide ik dezelfde onzinrondjes langs niet-urgente niet-belangrijke dingen. Een tic. Een verslaving die mij net als vele anderen opslokte. Maar op een dag was het genoeg.
Veel mensen vragen wat het met me heeft gedaan. Slaap ik beter? Heb ik meer tijd en aandacht? Ben ik gelukkiger? Ik moet ze teleurstellen. Ik ben niet productiever of meetbaar gezonder gaan leven. Dat was dan ook niet mijn motivatiebron. Het ging om iets fundamentelers en groters dan geluksgevoel. Ik stopte omdat het geen goed leven was.
Dat kwam uit mezelf. Want we leven niet in een wereld waarin iemand er echt iets van vindt dat mensen drie uur per dag naar hun telefoon kijken. Geen dominee, rabbijn of imam die oordeelt dat dat verkeerd is. Er is geen enkele morele autoriteit die met enig gezag kan zeggen: dit deugt niet.










