Akte 1: De linzenburger

Op de dag dat hij tien jaar getrouwd is raakt bariton David Visser (41) zijn wilde haren kwijt. In een voormalige stal in het Friese Spanga zet visagist Naoual El Bousmaqui de tondeuse aan. Twee millimeter mag hij houden, meer niet. Met elke zwarte lok die op de vloer dwarrelt kijkt Visser benauwder. „Zo kort heb ik het nog nooit gehad. En dan komen er straks nog witte vlekken in, om kale plekken na te bootsen.” Plukje voor plukje transformeert Visser in baron Ochs auf Lerchenau, de vunzige vrouwenversierder uit Der Rosenkavalier. In de beroemde Strauss-opera uit 1911 staat de baron omschreven als een dikke, kale man. Omwille van de twee meter lange Visser is ‘dik’ nu in ‘groot’ veranderd, maar qua haar was regisseur Corina van Eijk onverbiddelijk: dat moest eraf. Een paar uur ná Vissers jubileumlunch met zijn vrouw. „Die wilde me nog graag zonder die vlekken tegenover zich aan tafel.”

Kale plekken zijn een veelvoorkomend symptoom van syfilis, een geslachtsziekte die vroeger vaak voorkwam bij mannen die het niet zo nauw namen met huwelijkse trouw. In Der Rosenkavalier doet baron Ochs weliswaar een aanzoek aan de piepjonge, beeldschone Sophie, maar dat weerhoudt hem er niet van om zich ook op andere vrouwen te storten. Visser: „Nergens staat in het libretto met zoveel woorden dat Ochs een geslachtsziekte heeft, maar we kwamen tot de conclusie dat dat eigenlijk niet anders kán.”