Het begint met een dode op een altaar, het eindigt met een dode op een altaar. Wat daar tussen gebeurt in Verdi’s Simon Boccanegra laat zich moeilijk navertellen. Nu is het een achterhoedegevecht je druk te maken om bizarre operalibretti, maar ook binnen het genre bestaat er een spectrum. Simon zit vrij ver aan de kant van onnavolgbare soap-achtige verwikkelingen. Verdi bewerkte het geflopte werk uit 1857 tot een succes in 1881, maar nog steeds lijdt het verhaal aan een overvloed aan plotideeën. Al voor de pauze is er een volksopstand geweest, een ontvoering, een geheime liefdesverklaring, een dramatisch onthulde familieband. Na de pauze volgen een dubbele moordpoging, meer familieonthullingen, een bruiloft, verraad, genade, een sterfscène, een kroning.
De regie van Jetske Mijnssen lijdt niet aan een overvloed aan ideeën, en dat is maar goed ook. Mijnssen koos ervoor het verhaal uit de 14de eeuw over te hevelen naar de 19de – en al is het dan soms misschien moeilijk te volgen wat er precies ten grondslag ligt aan alle intriges, in elke afzonderlijke scène is wel volkomen duidelijk wat er op het spel staat. Daardoor krijgt de muziek alle ruimte, en dat is heerlijk. Het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) onder leiding van de Genuese Boccanegra-specialist Fabio Luisi doet denken aan een spinnende panter op een lome zomerdag. Schijnbaar glanzend en aaibaar, maar onder de oppervlakte suddert de potentie tot een grote aanval, hij kan op elk moment zijn klauwen uitslaan en doet dat soms ook. Wendbaar, elegant, betoverend.









