Nationale Opera & Ballet organiseerde een avond over de tragische heldinnen van de opera, en hoe om te gaan met hun dood. Want dood gaan ze bijna altijd, door eigen hand en mes (Madame Butterfly), door vrijwillig de brandstapel op te gaan (Norma), door tuberculose (Violetta in La Traviata) of door huurmoordenaars (Gilda in Rigoletto).
We zien voor ons hoe deze personages honderden jaren gestorven zijn, ook als we nog nooit een opera hebben bezocht. Het zijn echte vrouwen, met lange haren en rode lippen. En borsten. Aan het begin verleidelijk, smachtend, in het bezit van seksuele macht. Aan het einde een gepijnigd lichaam, een trage doodsstrijd, een laatste noot, hoog en smartelijk. Een lichaam dat kapseist en bewegingloos eindigt. Het vrouwenlichaam als politiek landschap waarop oorlogen, frustraties en verlangens worden beslist.
Carmen van Bizet en Desdemona in Otello van Verdi worden vermoord door hun eigen jaloerse mannen, die hen verdenken van overspeligheid, of niet kunnen leven met het idee dat deze vrouwen hun bezit niet zijn.
Ik zit tijdens het programma in het panel naast twee vrouwelijke regisseurs die zich afvragen hoe ze, nu we femicide leren zien voor wat het is, nog een Carmen kunnen maken.







