‘Dit had nooit mogen gebeuren”, zei staatssecretaris Claudia van Bruggen (Justitie en Veiligheid, D66), 2 juli in Den Haag tegen afstandsmoeders, -vaders en afgestane kinderen. Een dag later ging er een brief naar de Tweede Kamer waarin stond wat de concrete gevolgen zijn: geen individuele financiële compensatie, omdat onderzoek en rechtspraak daar „geen aanleiding” noch „financiële dekking” voor bieden. Nieuw is die rekensom niet: al in april, toen het kabinet besloot excuses aan te bieden, stond in de beslisnota dat daar „geen rechtstreekse financiële consequenties” aan zitten. Voordat Van Bruggen het podium betrad was al duidelijk: sorry zeggen is gratis, er concrete handelingen aan verbinden kost geld.
‘Afstandsmoeder’ is de steriele term voor een verschrikkelijke praktijk. Tussen 1956 en 1984 moesten naar schatting ruim veertienduizend ongehuwde meiden en jonge vrouwen door familie, kerk en instanties vaak gedwongen hun kind afstaan, meestal binnen enkele minuten na de bevalling. Sommige vrouwen bevielen zelfs geblinddoekt om maar geen band met hun eigen kind op te bouwen; zoals Van Bruggen zei: „De enige herinnering aan jullie baby was vaker een geluid, dan een beeld.” In het onderzoeksrapport Schade door schande van commissie-De Wintert is vastgelegd wat deze praktijken hebben aangericht, die schade gaat levenslang mee.








