„Dood aan het boekverslag”, prijkt op de posters die schrijver Ernest van der Kwast (1981) uitdeelt op scholen die hij bezoekt. Ruim vijfduizend middelbare scholieren in Rotterdam, van vmbo tl tot vwo, lezen op dit moment zijn nieuwe, pas verschenen roman Schooljaren. Er zit een lesbrief bij, maar een traditioneel boekverslag met een samenvatting, een analyse van de personages en een uitleg van thema en motieven hoeven de scholieren niet te maken. „Er was een leven vóór het boekverslag – lichtvoetig, onschuldig, hoopvol”, heet het in de roman. „En er was het leven erna: donkere wolken, uitzichtloosheid, negatieve gedachten.” Van der Kwast kwam op het idee voor zijn nieuwe boek toen hij tijdens schoolbezoeken merkte dat hij met vertellen over zijn eigen schoolervaringen de leerlingen bereikte, vertelde hij in een interview, meer dan met uitweiden over zijn werk.
In Schooljaren staat een groepje jongens bij de verwarming in de hal van hun school, vijf jaar lang. Ze kijken om zich heen, becommentariëren leraren en medeleerlingen, kaarten voorzichtig de toekomst aan, maar staan toch vooral te staan. Veilig bij elkaar. Over Mo, Erinç, Dave, Ashraf en zichzelf heeft de ik-verteller, die naamloos blijft, het aanvankelijk vooral in de ‘we’-vorm: „We zwegen”; „We hadden nog nooit gezoend”; „We dronken Capri Sun”; „de hele verwarmingsgroep viel in coma”.











