‘Je moet het door de bril van toen bekijken, er heerste een andere tijdgeest.” Deze zin hoor ik al jaren; van mensen die mijn boeken lezen, van deskundigen die ik interview over historisch onrecht, op feestjes. En onlangs in de rechtszaal, waar ik voor NRC een verslag schreef over de uitspraak in de zaak van de uit Sri Lanka geadopteerde Dilani Butink. Het gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de staat en een adoptiebemiddelaar bij haar adoptie in 1992 niet onrechtmatig hadden gehandeld „gemeten naar de normen van toen”.

Het hof erkende weliswaar dat er in die jaren ernstige misstanden waren bij adopties uit Sri Lanka, en dat zowel de staat als de bemiddelingsorganisatie daarvan wisten. Maar omdat de procedurele regels uit die tijd waren gevolgd, konden zij niet verantwoordelijk worden gehouden voor Butinks frauduleuze adoptie. Dat een eerder gerechtshof daar anders over oordeelde en Butink in een hoger beroep aanvankelijk gelijk gaf, deed daar niets aan af.

Het is niet de eerste keer dat dit ‘tijdgeestargument’ opduikt in de rechtszaal. In de zaak van afstandsmoeder Trudy Scheele-Gertsen, die in de jaren zestig tegen haar wil van haar pasgeboren zoon werd gescheiden, verklaart de rechtbank Den Haag dat „de tijdgeest van nu wezenlijk anders is dan die van toen” en dat de „blik van nu” buiten beschouwing moest blijven. De druk die de moeders hadden ervaren was volgens de rechter „het gevolg van het samenspel van maatschappelijke, sociale en religieuze verhoudingen in die periode”. De Raad voor de Kinderbescherming trof dan ook geen blaam: de taken en bevoegdheden van de Raad moesten worden beoordeeld in het licht van de destijds gangbare oordelen over ongehuwd moederschap.