Ergens in R.I.P. Gissing roept Geerten Meijsing het beeld op van de (openbare) studie- en leeszaal van het British Museum in Londen, ergens in de tweede helft van de negentiende eeuw. Wie zaten daar allemaal te werken, weliswaar niet altijd tegelijkertijd, zonder elkaar te kennen en zonder te weten dat ze later beroemd of nog vele malen beroemder zouden worden dan ze toen waren? Nou, de kapitaalloze filosoof Karl Marx bijvoorbeeld. En Bernard Shaw, de toneelschrijver die later de Nobelprijs voor Literatuur zou ontvangen. En Oscar Wilde, de dandy-schrijver die zo scherp en getapt uit de hoek kon komen dat hij tot op de dag van vandaag citabel is. En romancier George Gissing, die zat er ook.

Nu zal deze Gissing (1857-1903) voor de meeste mensen de meest onbekende naam uit dit rijtje zwoegers zijn, maar voor Geerten Meijsing is hij verreweg de meest invloedrijke. Zo invloedrijk dat hij ervoor koos om een volledige roman aan hem te wijden. Het zou een van zijn laatste romans kunnen zijn, want zoals al te lezen viel in het vorig jaar verschenen brievenboek Het gewicht van woorden worstelt Meijsing (1950) met zijn gezondheid.

Waarom dan net nu een roman over een vergeten (al zullen de Engelsen dat niet beamen) schrijver? Het antwoord luidt dat R.I.P. Gissing zich steeds meer laat lezen als een zwanenzang: door het over Gissing te hebben schrijft Meijsing ook heel erg over zichzelf, je zou de roman kunnen classificeren als zoiets als een autobiografisch-biografische. Ergens heeft er een soort versmelting plaatsgevonden en werd Meijsing een schaduwloper van Gissing: hij viel voor zijn romans, voelde zich aangesproken door diens stijl en door het pessimistische levensbeeld dat er uit sprak, begon zich vervolgens in de mens achter deze literatuur te verdiepen en kon toen niet aan de indruk ontkomen dat Gissing en hij veel met elkaar gemeen hadden.