„Ik vraag mij meteen af of mijn leven wel echt zo boeiend is voor een heel boek”, zei Els Pelgrom tegen Sanne van Heijst toen zij de gelauwerde, inmiddels tweeënnegentigjarige schrijver in 2019 vroeg of ze wilde meewerken aan een biografie. Maar Van Heijst liet zich gelukkig niet weerhouden door Pelgroms scepsis. Ze wist wel beter: door een interview van oud-kinderboekenrecensent Bregje Boonstra met de door haar als kind bewonderde kinderboekenschrijver met drie Gouden Griffels op zak (De kinderen van het Achtste Woud, 1978; Kleine Sofie en Lange Wapper, 1985; De eikelvreters 1990) had ze ontdekt hoe avontuurlijk maar ook moeilijk Pelgroms leven was geweest. Bovendien had ze eerder een geslaagde biografie over de Duits-joodse Gerda Nothmann geschreven (Philips-meisje, 2016). Zodoende liet Pelgrom haar bezwaren tegen een biografie uiteindelijk varen: verbieden kon ze het boek toch niet, dus kon ze maar beter bij leven meewerken: „Na mijn dood […] heb ik echt nergens meer de regie over”.

Pelgroms reactie past bij haar zoektocht naar fysieke en mentale ruimte die haar leven karakteriseerde en die Van Heijst als leidraad koos voor haar biografie, die ze de titel Else gaf, de naam die Pelgrom oorspronkelijk bij haar geboorte in 1934 kreeg. Haar aanvankelijke aarzelingen roepen de vraag op of Pelgrom volledig openhartig is geweest. Uit de inleiding van Else blijkt al dat zorgen daarover onnodig zijn: zowel de biografe als gebiografeerde blijkt een prettig realistische, verfrissende kijk op de biografiepraktijk te hebben.