Leesonderzoeker Suzanne Bogaerds was „wel een beetje gechoqueerd” toen ze acht jaar geleden onderzocht hoe basisscholen in Nederland begrijpend lezen onderwezen. Ze sprak met leerkrachten, analyseerde lesmethodes en observeerde in klassen. „Het vizier was volledig gericht op leesstrategieën. Niets anders. Dat was een doel op zich. Waar de tekst over ging, dat maakte bijna niet uit.”
Dat scholen zich hierop waren gaan richten, kwam doordat toen was onderzocht wat goede lezers onderscheidde van zwakkere lezers. Sterke lezers blijken strategischer om te gaan met teksten. Ze lezen bijvoorbeeld een stukje terug als ze iets niet begrijpen, stellen zichzelf vragen tijdens het lezen of proberen te voorspellen waar een tekst over gaat. In het onderwijs ontstond het idee dat zwakke lezers beter zouden gaan lezen als zij die strategieën aangeleerd kregen. Volgens Bogaerds is dat geen verkeerde gedachte, maar sloeg het onderwijs door en raakte de balans in het leesonderwijs zoek. Leerlingen werden „gedrild in één mal”.
De leesvaardigheid van Nederlandse scholieren werd er niet beter van. Sinds 2012 is die aan het dalen. Uit het dinsdag verschenen internationale PISA-onderzoek blijkt dat vier op de tien Nederlandse vijftienjarigen het risico lopen laaggeletterd van school te komen. Maatregelen om die trend te keren, zoals een subsidieprogramma om het onderwijs in de basisvaardigheden te verbeteren, hebben nog geen zichtbaar effect gehad. Toch ontbreekt het niet aan kennis over effectief leesonderwijs, zeggen leesonderzoekers Suzanne Bogaerds en Nicole Swart. „We weten eigenlijk best goed aan welke knoppen je kunt draaien”, zegt Swart. Het probleem is volgens haar vooral dat die kennis nog niet overal haar weg vindt naar de klas.












