Wat is er opwindender, geiler dan aantrekken en afstoten? Dan iets nét niet kunnen krijgen? Call Me By Your Name (2007) van André Aciman, in Nederlandse vertaling verschenen als Noem me bij jouw naam, is zo’n oneindig, sadistisch spel. De titel van het eerste deel alleen al: ‘If Not Later, When?’ Dit liefdesverhaal tussen twee jonge mannen schippert continu tussen nu en later, tussen altijd en nooit. En werd daarom misschien, zeker na de verfilming (2017), zo snel een klassieker.
‘Skin everywhere’, merkt Elio op aan Oliver, de eerste keer dat hij hem ziet. Van wie anders zie je ‘overal huid’ dan van de mensen die je onweerstaanbaar vindt? Toch zal Elio hem algauw gaan ‘haten’. Hij haat de vanzelfsprekendheid waarmee Oliver zich door het leven beweegt, hij haat zijn ogenschijnlijke onverschilligheid, wat hem natuurlijk alleen maar aantrekkelijker, want onbereikbaarder maakt. Elio haat vooral dat hijzelf constant bezig is met waar Oliver is. Gékmakend.
We zijn in Italië, de hete, lome variant, met de geur van rozemarijn en het geluid van cicaden, in de jaren tachtig. Elio en Oliver hangen in en rond het zomerhuis, zo’n exemplaar dat ook een zwembad, tennisbaan, gastenverblijf en huishoudster heeft, van de ouders van Elio. Zijn vader is academicus, en elke zomer nodigt hij een ambitieuze student uit om zes weken in de villa te werken. Deze keer is dat de 24-jarige Oliver. De zeven jaar jongere Elio ziet het eerst met lede ogen aan: moet hij weer zijn kamer afstaan aan een gast, en dan ook nog aan zo’n brok arrogantie?






