Lizzy van Leeuwen begint haar boek met een anekdote die maakt dat je meteen op het puntje van je leesstoel zit. De auteur vertelt over haar moeder Mien, kind van twee Indische ouders, die in 1946 met een repatriëringsschip in Nederland arriveert. Haar ouders zijn al voor de oorlog gescheiden, van haar vader mag ze niet bij haar moeder wonen. Na een half jaar overlijdt haar moeder plots aan astma. De avond voor de begrafenis slaapt Mien voor het eerst in het kamertje in het Haagse pension waar haar moeder woonde. Midden in de nacht staat de ‘heer des huizes’, een jonge vader, in zijn onderbroek in de kamer en begint seksuele avances te maken. Als Mien daar niet op ingaat, reageert hij verbaasd: „Ik dacht dat jullie dat altijd wilden”.

Als Mien een paar jaar later als au pair gaat werken in een Rijswijks tandartsengezin wordt ze eerst langs de huisarts gestuurd om te laten controleren of ze wel een ‘net meisje’ is. Het beeld was namelijk: Indische meisjes zijn seksbelust.

Een paar alinea’s verderop schrijft Lizzy van Leeuwen, antropoloog, jurist en ‘tweedegeneratie-Indo’: „Toen mijn moeder met mij over haar Haagse ervaringen sprak, voor de eerste keer, was ze tweeënnegentig jaar. Ik besloot die middag om eindelijk dit boek te schrijven.”