Hoe gedraag je je als westerling in de voormalige gekoloniseerde wereld? Het is een probleem waar mijn tante Marie nooit last van had. Aan mijn arm stapte zij – ooit zelfbenoemde missie-werkster in Kenia – in de jaren zeventig op hoge leeftijd door de wildernis, gewapend met tassen kleine geschenken, op weg naar een verzameling hutten. Ter plekke straalde zij van oor tot oor toen bleek dat de vrouwen haar tien jaar later nog herkenden en haar naam – ‘Maria, Maria!’ – riepen, terwijl zij in het Nederlands zachtjes begon te prevelen dat goed doen haar lust en leven was („Ik doe zo graag goed” waren haar letterlijke woorden). Mijn tante was, oneerbiedig gezegd, een product van de koloniale tijd, onwetend, heilig onnozel, opgegroeid met het algemene gevoel van meerderwaardigheid waarvan ze zich niet bewust was omdat het te gewoon was.

De superieure blik is het onderwerp van twee recent uitgekomen boeken. In het ene beschrijft een Nederlandse journalist de reflex van witte toeristen en gevestigde ingezetenen op Curaçao. In het andere onderzoekt een Antiguaanse-Afro-Amerikaanse schrijfster de aard en de gevolgen van selectieve observatie op haar eiland. Twee boeken, kortom, ver voorbij de geïnternaliseerde kijk van de generaties voor en van mijn tante. En de vraag is uiteraard of we nu anders, bewuster van onze visuele koloniale erfenis, waarnemen.