Net als voor haar gelauwerde prozadebuut Een geest in de keel, waarin het leven van de achttiende-eeuwse Ierse dichter Eibhlín Dubh Ní Chonaill en dat van de auteur zelf prachtig in elkaar overliepen, begroef Doireann Ní Ghríofa (Galway, 1981) zich voor haar roman Aldus de doden in de archieven. Ditmaal niet om de leefwereld van één vrouw (plus die van zichzelf) bloot te leggen, maar om tientallen stemmen te laten zingen: die van de artsen en vrouwelijke patiënten van een voormalige psychiatrische inrichting in Cork.
Twee van die stemmen zingen het luidst: die van ‘de Lezer’, een alter ego van Ní Ghríofa, en die van arts en behandelaar Lucia Strangman-Fitzgerald. De Lezer is een vrouw die van kinds af aan stemmen hoort, en daar niet bijzonder door gestoord wordt. Ze blijft eigenlijk de hele roman een mysterie, ze is vluchtig als een droom, een geest, en zo lijkt ze het ook graag te hebben.
Door zichzelf – nadat ze per toeval achter de geschiedenis van het gebouw komt – volledig te verliezen in de Victoriaanse en Edwardiaanse stemmen hoeft ze niet over zichzelf na te denken. Moeder van vier, met een verleden van „inzinkingen”, kampend met rouw. Ze vergelijkt haar inzinkingen met het geweld van een rivier: „Door die zware wateren heen zag ze haar kinderen in hun schriften schrijven of naar tekenfilmpjes kijken en deed ze haar best te glimlachen en onbevreesd over te komen (…).” Het waterpeil blijft echter stijgen. „Als zij de rivier was en de rivier haar, dan was opgaan in een nog dieper water de enige manier om eraan te ontsnappen.”






