We kijken graag naar helden, maar we leven in een tijd van lafaards. Tuig dat ’s nachts in hoofdletters „hoer” kalkt op de woning van landgenoten die asielopvang verwelkomen. Rotzakken die op sociale media anonieme duimpjes geven aan de Berlijnse moordaanslag op mensen die van de gendernorm afwijken. Witte nationalisten die zich verkneukelen om de genocide in Gaza – of anderen die van de weeromstuit op straat staan te juichen om de ‘antikoloniale’ bloedorgie van 7 oktober.

Op nog wat veiliger afstand: profeten van de grote greep die hun poetinisme uitleven aan digitale stamtafels maar zich uiteráárd distantiëren van oorlog en geweld omdat ze als journalist of denker boven de partijen staan en alleen maar de tijdgeest willen vangen. En, klap op de vuurpijl: opportunistische populisten en naïeve middelpuntzoekers in het parlement, ooit Thorbecke’s vergaderzaal, die in de gure wind leunen om hun onmacht te camoufleren.

Geen wonder dus, dat The Odyssey van Christopher Nolan zo in de smaak valt, hoezeer classici zich ook uitputten in het zoeken van missers (die rare zwarte Batman-helmen!) en narratieve vertekeningen (Odysseus schaamde zich niet voor zijn paardenlist en daaropvolgende verwoesting van Troje, hij was er trots op). Hier hebben we een held van deze tijd: een geweldenaar, maar wel een die behept is met een post-genocidaal schuldgevoel en een innerlijk dat draait om psycho-medische afkortingen: PTSS natuurlijk, wie weet ook een vleugje ADHD.