Als bepaalde politici in beeld komen, hoor ik de stem van Khadija Arib op dat toontje dat ze ooit tegen SP-Kamerlid Peter Kwint inzette toen hij in een t-shirt naar de interruptiemicrofoon liep: „Meneer Kwint, waar is uw jasje?”
Dat begon na de recente aanvallen van inboorlingen op asielzoekerscentra. Steeds als de beelden van de fik bij het azc in Loosdrecht voorbij komen, kijk ik naar de ramen. Daardoorheen zie ik het azc waarin wij vijftig jaar geleden terechtkwamen. Dan staat mijn moeder aan de andere kant van het glas, geflankeerd door Elena en Nené, vriendinnen die ze in het azc leerde kennen.
Alle bewoners in dat azc waren gevlucht voor militaire dictaturen. Als ze door het raam die meute het gebouw hadden zien belagen, hadden ze zich waarschijnlijk afgevraagd of ze in Nederland wel veilig waren. Snel genoeg zouden ze opmerken dat die hoodie-gasten geen mitrailleurs hadden zoals de soldaten in het land van herkomst. Dan zouden ze overgaan op opmerkingen als: madre mia, wat een lelijkerds, want bodyshamen was toen nog bon ton.
Bovendien waren in de periode dat wij in het azc terechtkwamen, de Nederlandse militairen net bezig de treinkapers bij De Punt aan flarden te schieten. De onzekerheid over of we hier wel veilig waren, kwam er eerder uit voort dat het lokale leger straaljagers inzette tegen burgers, al noemde het die burgers terroristen. De definitie die de AIVD voor terrorisme hanteert is, iets gestileerd: ‘Uit ideologische motieven geweld plegen op mensenlevens of maatschappij ontwrichtende schade veroorzaken met als doel de bevolking vrees aan te jagen om maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen en/of politieke besluitvorming te beïnvloeden.’






