Pal naast de snuffelmarkt op het Eemplein, tegenover een kraampje waar een meisje met haar moeder haar oude Barbies verkoopt, staat een tiental mannen in het zwart breeduit met de Nederlandse vlag op hun rug. Zwijgend, want een AI-stem uit twee gigantische boxen op een podiumpje doet z’n werk: „Onze eigen kinderen”, schalt over het drukbezochte winkelplein, „kunnen geen huis meer vinden. Gezinnen kunnen niet doorstromen… de immigratie loopt de spuigaten uit.”

„Mag wel een tandje zachter”, vindt het meisje met de Barbies. Maar verder niet op letten, lijkt het winkelpubliek deze zaterdag in het stadshart van Amersfoort te denken. Iedereen snuffelt rustig door.

Ik moet denken aan mijn eerste kennismaking met extreemrechts, in de gure winter van 2008. Geïntrigeerd door hun bestaan had ik de toenmalig leider van de nationalistische groep Voorpost, Paul Peters, gevraagd of ik eens mee mocht naar een demonstratie. Dat was geen punt, elke publiciteit bleek welkom. Het was een periode waarin extreemrechts, uiteengevallen door scheuringen, amper iets voorstelde. Het aantal actieve aanhangers had dat jaar volgens de AIVD zelfs een laagterecord bereikt: driehonderd in heel Nederland.

En zo belandde ik op een zondagochtend om negen uur eens opgepropt in een autootje met Peters – de latere oprichter van Identitair Verzet – en een handvol demonstranten op weg naar een non-descript winkelcentrum ergens in het midden van Nederland. Alleen, het was nog vóór de invoering van de koopzondag, dus er was niemand. Er kwam ook niemand. Met vijf man stonden de rechts-extremisten daar, urenlang achter een spandoek op een uitgestrekte verlaten parkeerplaats, en het was stervenskoud.