Met een slijptol schraapt een dakwerker het teer onder dakpanelen weg. „Het is bijna lunchtijd”, zegt Takumi Ikeda (37). Hij tilt zijn donkerblauwe helm tussen duim en wijsvinger een paar millimeter op, bij wijze van begroeting. Hij buigt voorover en stapelt de afgedankte dakpanelen op een karretje. Zijn felgele veiligheidsvest steekt scherp af tegen zijn zwarte werkkleding. „Om twaalf uur komen we naar beneden”, hijgt hij zodra de kar vol is.
Bovenop flatgebouw Gardenia, in de heuvelachtige stad Yokohama, werken twaalf mensen aan een nieuw dak. Het gebouw is ingepakt in zilverkleurige steigers en zwarte netten. Die moeten voorkomen dat teer en dakpanelen de straat op waaien.
Naast hem veegt Hidetoshi Sato (37) de teerrestjes met een stalen schep bij elkaar. Ventilatoren in zijn koelvest blazen voortdurend lucht naar binnen. Daardoor bolt het op en heeft hij iets weg van een Michelinmannetje. „Helpt bij het zweten”, zegt hij. Sato is het enige personeelslid van Ikeda’s constructiebedrijf T•Painting.
„Bij grote renovaties huurt een hoofdaannemer kleine onderaannemers zoals wij in”, legt Ikeda uit. De twaalf mannen op het dak zijn dan ook geen vaste ploeg, maar een verzameling kleine teams. „Ze roepen ons op als er werk is. Als het regent, komen we niet en krijgen we ook niet betaald. Zo zetten ze ons alleen in wanneer dat nodig is en houden ze de personeelskosten laag.”









