Rond half één ’s middags stapt taxichauffeur Aziz Mehmet (56) bij één van zijn vaste lunchplekken naar binnen. „Wat heb je vandaag? Lasagne?” Nee, de lasagne, geserveerd met friet en een salade, is al op. Gerookte ham, gebakken eieren en friet doen dan? „Ik eet geen varkensvlees.”
Het wordt jacket potato, een grote gepofte aardappel in de schil, opengesneden, gevuld met tonijnsalade en geraspte kaas erover. Mehmet: „En een kop thee erbij zou heerlijk zijn.” Zonder erom te vragen, krijgt hij melk in zijn thee geschonken.
Bij dit groene huisje, een soort minikantine aan de kant van de weg in de Britse hoofdstad Londen, mogen alleen taxichauffeurs naar binnen. Met een beetje goede wil en wat indikken passen er acht, misschien negen man in. De houten bankjes plakken een beetje. Ze doen ook dienst als bergruimte. Klap de deksel open en er liggen blikjes cola zero onder. Aan de koelkast hangen magneten, souvenirtjes uit Cornwall en Rome.
Dit is een Cabmen’s Shelter, de eerste van Londen, waarvoor de grondslag in 1875 werd gelegd. Het idee voor zulke schuilplaatsen kwam van George Armstrong, hoofdredacteur van dagblad The Globe, toen hij in slecht weer geen taxi kon vinden – in die tijd waren dat nog koetsen met paarden. De koetsiers hadden beschutting gezocht in de pub en waren te beschonken om nog de weg op te gaan. In de shelters mag nog steeds geen alcohol gedronken worden, maar verder is het menu zo Brits als het maar zijn kan: sandwiches, hamburgers, jacket potatoes en pasta.








