Met een hand voor zijn ogen en een pet in zijn andere hand kijkt Baba Mbengue naar de zee die voor zijn voeten klotst en de kranen die er verderop uit opdoemen. Naast hem spuugt een kiepwagen zand uit. Wat heeft het nog voor zin, zucht hij. „Het kwaad is al geschied.”
Iedereen verklaarde Mbengue voor gek toen hij begin jaren negentig een stuk grond kocht aan de rand van het vissersdorp Ndayane aan Senegals Petite Côte. Er was niets, zegt hij. Alleen wilde struiken. Maar hij zag de potentie. Hij had in Frankrijk jaren in de hotellerie en het vastgoed gewerkt en wilde in zijn Senegal zelf iets opbouwen. Een kleine oase aan de kust, voor wie de drukte van de nabijgelegen hoofdstad Dakar wilde ontvluchten.
Mbengue kreeg gelijk. Dakarois, expats, toeristen. Ze kwamen allemaal naar zijn La Pierre de Lisse om te slapen in strandhuisjes met rieten daken tussen de bougainvillea met uitzicht op zachtgeel zand en de Atlantische Oceaan. Geregeld zat het hotel het weekend vol met honderd gasten, zegt Mbengue. Zelfs toen elders in West-Afrika ebola uitbrak of later de coronapandemie; La Pierre de Lisse krabbelde altijd weer op.
Baba Mbengue (69) kocht begin jaren negentig een stuk grond aan de Petit Côte om een hotel te bouwen.foto Carmen Yasmine Abd Ali















