In een verder lege kamer ligt de grond bezaaid met uien. Ertussen staat Meta Cissokho, op slippers en met een frons op haar gezicht. Nou dit dus, knikt de oude vrouw. Ze pakt een ui van de grond en houdt hem demonstratief omhoog. Veel te klein, zegt ze afkeurend. En werpt het bolletje, zo groot als een ei, terug.

In Faranding, een dorp met zo’n vijfhonderd inwoners in het uiterste oosten van Senegal, is Cissokho een koppige uitzondering. Terwijl de meeste van haar buurtgenoten het allang hebben opgegeven, houdt zij vast aan haar stukje grond aan de oever van de rivier de Falémé. Langs dat water groeide zij op.

Dat was voordat de Falémé de kleur van natte aarde kreeg. Uit de dieptroebele sliert die nu voorbij kabbelt en waarachter Mali opdoemt, is het leven verdwenen. Er is geen vis meer om te vangen, zelfs vogels blijven uit de buurt. Er is ander rivierleven voor in de plaats gekomen: een van zwarte rookpluimen en bruin water dat via pijpen wordt uitgespuugd.

Het illegale baggerponton dat in het midden van de Falémé drijft, wordt deze ochtend bemand door zeven jongemannen. Mutsjes op, waterschoenen of slippers aan. Malinezen, zegt Cissokho. Op zoek, zoals iedereen hier, naar goud.

Het oosten van Senegal is bevangen door een goudkoorts die deze en andere goudrijke regio’s in West-Afrika in bijna twee decennia drastisch heeft veranderd. Zo lokte de belofte van aanzienlijke goudvoorraden grote mijnbedrijven naar de regio Kédougou waaronder Faranding valt. Er kwamen goudzoekers uit Mali, Burkina Faso en Guinee, die de grens hier oversteken.