Op de binnenplaats van een eeuwenoud fort klinkt gerinkel. Met wetsuits tot hun middel opgetrokken en hun duikschoenen al aan tillen drie studenten archeologie en een gendarme gespecialiseerd in onderwatererfgoed zuurstofflessen op een kar. Omringd door een geschiedenis die ze proberen te herschrijven, kent ieder zijn taak. De ene tilt, de ander duwt. Naar hun collega’s en het water dat buiten de fortmuren tegen de kade klotst.

Voor de nog geen tweeduizend bewoners van Gorée, een piepklein eilandje voor de kust van de Senegalese hoofdstad Dakar, is het een bekend gezicht. Ieder jaar in juni of oktober, wanneer de Atlantische Oceaan hier op zijn rustigst is, komen de onderzoekers voor een paar weken terug. De meesten komen uit Dakar of elders in Senegal, een enkeling uit Ivoorkust, de Verenigde Staten. Die uit Benin en Haïti konden er ditmaal niet bij zijn.

Meter voor meter zoeken zij de zeebodem af naar de resten van Gorée’s donkere verleden. IJzeren nagels, stukken hout. Getuigen van de tienduizenden mensen die tussen de vijftiende en negentiende eeuw werden weggerukt uit dit deel van West-Afrika tijdens de Trans-Atlantische slavenhandel. Het strategisch gelegen eiland van nog geen kilometer lang en 300 meter breed werd hun laatste stop voordat zij door Europeanen werden afgevoerd naar de Amerika’s en Caraïben.