„Dit is de mastvoet van de Zwammerdam 4.” In de restauratiewerf in Museumpark Archeon wijst archeoloog Tom Hazenberg op een stuk hout met een flinke inkeping en twee stevige ijzeren beugels. Op stellages rondom ligt in stukken de rest van wat bijna tweeduizend jaar geleden een 34 meter lange Romeinse aak is geweest. Samen met vijf andere schepen is hij ruim vijftig jaar geleden gevonden bij Zwammerdam, zo’n vijf kilometer ten oosten van het archeologische park in Alphen aan den Rijn. „Voor het eerst sinds hun ontdekkingen tussen 1971 en 1974 zijn alle schepen helemaal geconserveerd en schoongemaakt en liggen ze hier op een veilige vaste plek”, zegt Hazenberg trots en opgelucht.
Zichtbaar voor het publiek is één van de zes schepen al gerestaureerd. Het is de Zwammerdam 2, ook een aak, met een lengte van ‘slechts’ 22,5 meter. Naast het schip wordt in woord en historische filmbeelden het verhaal verteld van de ontdekkingen, de opgravingen en het onderzoek van de zes Zwammerdamschepen, zoals ze zijn gaan heten.
Die geschiedenis begon eigenlijk al in 1968, drie jaar voor de ontdekking van het eerste schip. Archeologen van de Universiteit van Amsterdam kregen de gelegenheid bij Zwammerdam een Romeins legerkamp op te graven. Op het landgoed Hooge Burgh ging de zorginstelling Ipse de Bruggen uitbreiden en vóór de bouw mochten de archeologen graven op de plek waar ze het legerkamp Nigrum Pullum vermoedden. Hun vermoeden klopte: in drie jaar tijd ontdekten ze drie bouwfasen van het kamp dat tussen 47 en het midden van de derde eeuw in gebruik was geweest.










