Vroeger gebeurde er voor mijn gevoel bijna nooit iets historisch. In mijn vroege jeugd viel de Berlijnse Muur, dat was een ding. Dan had je nog Nevermind van Nirvana, die ene goal van Dennis Bergkamp, 9/11, de dood van Lady Diana, de eerste Fiat Multipla, een dansende banaan op Hyves en dat was het wel zo’n beetje.
Tegenwoordig krijg je het idee dat er voortdurend historische dingen gebeuren. Met name kijkers van het WK voetbal wordt te pas en te onpas voorgehouden dat zij getuige zijn van iets heel bijzonders. Zo wist een Britse commentator tijdens Noorwegen – Engeland te melden dat middenvelder Jude Bellingham met zijn 23 jaar de op een-na-jongste speler is die in twee opeenvolgende knock-out wedstrijden op een WK een doelpunt wist te maken. Dankzij die prestatie zou hij voortaan in de geschiedenisboeken Pelé vergezellen, die blijkbaar hetzelfde presteerde op zeventienjarige leeftijd.
Het hoort bij een steeds commerciëlere voetbalwereld. Fans betalen een fortuin voor tv-abonnementen en wedstrijdtickets, die willen waar voor hun geld. Ze willen een unieke ervaring; getuige zijn van iets wat nog nooit is gepresteerd, iets episch bijwonen. De uitbaters van al dat voetbal helpen daar graag bij door de gekste dingen als record aan te merken. De simpele regel lijkt: als het nooit eerder is gebeurd, gaat het rechtstreeks de geschiedenisboeken in. Maar doordat de vraag naar records zo enorm stijgt, ontstaat een zekere record-inflatie.






