Als mensen niet ‘tweeduizendveertig’ zeggen maar ‘twintig-veertig’, dan weet je dat er doelen worden gesteld. Waar tweeduizendveertig een doodgewoon jaartal is, is twintig-veertig een stip op de horizon. „Ik vind dat we moeten zeggen dat Nederland in twintig-veertig de meest innovatieve economie van de wereld moet zijn”, zei Dilan Yesilgöz dan ook tijdens het VVD-congres afgelopen zaterdag: „Niet van Europa, maar van de wereld. Omdat we dat kunnen.”

Voor politici is het aanlokkelijk om zo’n vergezicht te schetsen. Je straalt er ambitie mee uit, maar je wordt er haast nooit op afgerekend. Niemand vraagt in 2040 aan Yesilgöz waarom we nog steeds niet de meest innovatieve economie ter wereld zijn. En als iemand het onverhoopt toch wil weten, kan ze er gewoon op wijzen dat de VVD nou eenmaal niet de enige partij is die iets te zeggen heeft in dit land.

Ik weet niet precies hoe je meet hoe innovatief een economie is, maar als je het aan de innovatieve AI-driven zoekmachine van Google vraagt, is Zwitserland op dit moment koploper. Vond ik ondanks die uitsloverige deeltjesversneller toch verrassend.

We willen blijkbaar al decennia dolgraag meer op Zwitserland lijken, want in 2003 richtte premier Jan Peter Balkenende al een heus Innovatieplatform op; Nederland moest in 2010 „weer een koploper zijn in de Europese kenniseconomie”. Ook een stip op de horizon, maar die horizon lag wel veel dichterbij dan die van Yesilgöz. Een rookie mistake van Balkenende, want in 2010 was hij nog steeds premier. Dus kreeg hij toen de wind van voren. Het Innovatieplatform was een „verspilling van tijd en middelen” geweest, verzuchtte Innovatiehoogleraar Alfred Kleinknecht destijds in NRC. Dat weerhield Balkenendes opvolger Mark Rutte er niet van om vlak na zijn aanstelling te stellen dat Nederland in 2020 tot de „top vijf van kenniseconomieën in de wereld” moest behoren. Is uiteindelijk ook niet gelukt.