Maandag 29 juniDe examencommissie

„Ben je zenuwachtig?”, vraagt mijn man Jorrit als ik wakker word. „Eigenlijk niet”, zeg ik. „Wat kan er misgaan? Kan je in twintig minuten vijf jaar werk verpesten?” Bovendien bestaat de examencommissie uit vier docenten en één rijksgecommiteerde. Slechts één iemand die ik niet ken.

Maar toch. Het is wel het moment om voor het eerst echt voor je werk te gaan staan. Om er zo goed mogelijk voor te zorgen met je woorden. Woorden die het werk ondersteunen en niet doodkletsen. Vaak gaat dat goed. Maar ik weet ook dat dat ik kan gaan ratelen als ik zenuwachtig ben. Meestal doe ik dat als iemand kijkt op een manier die me aan m’n wiskundeleraar doet denken.

Maar vandaag kan mij niets gebeuren. Ik heb net drie weken opgebouwd, zelfs mijn reusachtige wankele sculptuur van aluminium staat zonder ondersteuning. En ik heb een begeleidende tekst voor bij mijn werk, waar ik in nood altijd naar kan verwijzen. Ik moet ’m nog wel even schrijven, maar ik heb ’m precies in m’n hoofd, en ik heb nog tijd genoeg. Op het moment dat ik begin te schrijven, draai ik mezelf volkomen vast. Als ik om 15.00 naar school rijd, ben ik op van de zenuwen. Ik had beter naar de kapper kunnen gaan.