Recent belandde ik op de kunstbeurs PAN Amsterdam. Een kennis van me – een collega op wie ik ben gesteld – had daar een plekje bemachtigd. Schrijven deed hij tegenwoordig weinig meer, hij was vooral druk doende met de galerie die hij had opgericht, en hij nodigde velen uit om deze beurs te bezoeken. Het was een wonderlijk, groots gebeuren, daar in de RAI: allerlei galerieën en musea en kunstenaars hadden kraampjes opgetuigd, ze verkochten schilderijen en vazen en foto’s van doorgaans duizenden euro’s. Overal liepen mensen in maatpakken en blazers. Veel botox en facings. Luide bralstemmen. Het centrale café heette Oesters & Champagne, verderop zat de Spumante Bar.
Het is makkelijk en niet onterecht om dit geheel te bespotten. Al die figuren leken gewiegd door welvaart. Vlak na binnenkomst wilde ik al weggaan. Dit was een heel ander soort kapitaal dan ik uit mijn jeugd kende, niet cultureel maar economisch, poenerig. Had die schrijvende kennis van me de overstap gemaakt van het ene milieu naar het andere? Was deze samenkomst het toppunt van elitarisme?
Pas achteraf dacht ik: misschien kijken anderen wel regelmatig op een vergelijkbare manier naar mij, met eenzelfde aan afkeer grenzende afstand.









