In de film À pied d’oeuvre lijdt de bijna pathologisch goedgemutste Paul Marquet voor zijn kunst. De schrijver en klusjesman schreef eerder twee degelijke boeken die met lovende kritieken op de achterflap liggen te verstoffen in de betere boekhandel. Nu verwacht de uitgeverij zijn Grote Roman. Terwijl zowel zijn voorschot als ideeën opraken, moet Marquet echte offers brengen voor zijn kunst. Hij geeft zijn woning op, neemt een gemakskapsel, jat van zijn ouders, én vecht voor baantjes op klusjesplatform Jobber, ook wel bekend als Karl Marx’ grootste nachtmerrie.
Komt uit dat lijden warempel een goed boek? À pied d’oeuvre, een scherp geobserveerde film over flexwerk en kunstenaarschap, lijkt zich af en toe te verlekkeren aan het romantische idee van de starving artist. Regisseur Valérie Donzelli gelooft echter niet dat je voor kunst moet lijden, zegt ze in een Parijse hotelkamer in januari – wél dat lijden nu eenmaal het lot van de kunstenaar is.
„Kunst komt van de noodzaak om te creëren”, zegt Donzelli. „Kijk naar Picasso, hij maakte prachtige kunstwerken toen hij succesvol, erkend en welvarend was. Maar armoede volgt uit de maatschappelijke status van de kunstenaar. Schrijvers krijgen niet genoeg betaald omdat men vindt dat ze geluk hebben dat ze mogen doen wat ze doen. Dat werkt niet: een kunstenaar moet dwalen, denken en rondlopen tot hij ondergedompeld is in twijfel en niet meer weet wat hij moet doen. Dan is er een flikkering.”







