In Democraticide. De moord op de democratie voegt de filosoof Hans Achterhuis zich in de rij denkers die menen dat de democratie in gevaar is. Gezien de kracht van het populisme kunnen we er niet genoeg over spreken en schrijven hoe dierbaar én kwetsbaar onze democratie is. Zo bezien is het boek van Achterhuis goed nieuws. Ook de titel, Democraticide, is mooi gevonden. Ooit spraken we alleen over ‘regicide’ (koningsmoord), wat recenter door Luuk van Middelaar ook over ‘politicide’ (moord op de politiek) en dan nu ‘democraticide’. Maar Achterhuis maakt de mooie titel niet helemaal waar, van moord blijkt geen sprake. Hij schrijft: „Met mijn nieuwe begrip ‘democraticide’ druk ik uit dat de bedreiging van de democratie niet toevallig of onbewust gebeurt. We hebben volgens mij met een wereldwijde aanval op de democratie te maken. Waarom moeten we haar verdedigen, en hoe zouden we dat moeten doen?”

Die wereldwijde terugslag klopt, dat constateerden veel analisten al. Maar er is dus volgens Achterhuis, bij nader inzien, geen sprake van moord, slechts van een aanval. Het komt erop aan de democratie te verdedigen, maar door wie? Moeten wijzelf aan de bak of onze politici? En wie is de vijand tegen wie we het moeten opnemen, populistische bestuurders met kwaadaardige bedoelingen, reguliere politici die vrijheid en gelijkheid verwaarlozen of nonchalante burgers die denken, „na mij de zondvloed”? Achterhuis houdt het wat in het midden. Bovendien begint zijn betoog somber, zoals de titel doet vermoeden, maar neemt uiteindelijk een – weliswaar uiterst gematigd – optimisme de overhand. Hardop denkend schrijft hij toe naar de terechte conclusie dat democratie een feilbaar, maar behoorlijk weerbaar idee is: het schrijven was voor Achterhuis „een eigenaardig medicijn”, zo parafraseert hij de titel van een eigen eerder boek. Men kan het ook zo begrijpen dat ‘Democraticide’ als titel de spreekwoordelijke mooie hamer was, waardoor veel zaken opeens op een spijker gingen lijken.