Wat als je moet kiezen tussen je kind zien vermageren of het voor onbepaalde tijd laten afreizen naar een ander land, waar het kan aansterken bij vreemden? Het is een dilemma dat overdwars in je keel blijft hangen, ook als je zelf geen ouder bent. In haar derde roman Karel, Károly werkt Lieke Kézér deze vraag uit in een sfeervol, doorleefd verhaal. Het leven van de elfjarige Károly in Hongarije is van de ene op de andere dag afgelopen, als hij met de kindertrein naar Nederland wordt gestuurd. Op het platteland van een klein Drents dorp transformeert Károly in Karel, een ontwortelde jongen die opnieuw moet aarden in een boerenbestaan, ver weg van zijn ouders, broers en zussen. Hij bouwt er een eigen leven op, met laagjes nieuwe werkelijkheid die hij over een oude wond legt.
Karel, Károly wordt verteld in zeven delen, in een estafette kijken we mee met Károly, Anna, Antonie en Edie, van 1920 tot 1976, langs scharnierpunten van Károly’s levensgeschiedenis. We beginnen in Hongarije, verteld door Anna, Károly’s moeder. Wanneer de pastoor aanraadt om kinderen naar het buitenland te sturen, waar ze worden opgevangen door ‘goede gelovigen’, is Anna hier faliekant op tegen, maar de kwelling van het moeten aanzien van haar vermagerende kinderen, geeft de doorslag. De keuze om Károly op de kindertrein te zetten valt haar zo zwaar dat ze geen afscheid kan nemen.







