Ik was een jaar of negen en fietste over de stoep in Rotterdam. Een wat ouder stel liep me tegemoet. Ik zwierde met een ruime boog om ze heen, maar de man gaf me in het voorbijgaan een elleboog. Nog steeds is die man een schrikbeeld: ik ben doodsbenauwd dat ik ook zo word. Nu al zijn er dagen dat elk rood stoplicht voelt als een persoonlijk affront. Dan zie ik overal aso’s, hufters en rotkoppen – zoals de spookrijder in de mop van Herman Finkers die wel duizend spookrijders ziet. In de supermarkt ben ik bits tegen de kinderen die me controleren bij de scankassa. In de keuken vervloek ik de magnetronmaaltijd omdat ik niet binnen vier seconden zie waar ‘zes minuten op 800 watt’ staat. Ik vul het huis met een gifwolk van misnoegen en wee wie haar woorden niet foutloos afweegt.
Vandaag ben ik in zo’n stemming, lieve lezer. Want de wereld faalt en ik doe alles goed. Dus hoed u. Vandaag ontsteek ik al in razernij omdat ik moet opzoeken of het nu chagrijnig, sacherijnig, saggerijnig of sjaggerijnig is. Zelfs de taal maakt me een sikkeneurige iezegrim met een graftakkenrothumeur. Strontchagrijnig, kortom – maar meer dan dat woord haat ik het gevoel. Dus koel ik vandaag mijn furie op het chagrijn zelf.






